han ten broekevvd tweede kamerlid



  • home
  • nieuwsoverzicht
  • debat gemist
  • zoeken
  • contact




Veteranenbeleid

24-06-2010 | Tweede Kamer, notaoverleg
Tweede Kamer - Debatten             

Inbreng Han ten Broeke tijdens het notaoverleg van de vaste commissie voor Defensie met minister Van Middelkoop van Defensie over veteranenbeleid.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Allereerst feliciteer ik de heer Hernandez van de PVV met zijn maidenspeech. Ik heb nog niet eerder een maidenspeech meegemaakt in een notaoverleg. Mijnheer Hernandez, wij zullen u bij een volgend overleg zeker de eer aandoen om u te interrumperen, maar dat doen we vandaag niet. Ik zie uit naar de debatten met u in de toekomst.

Dit notaoverleg staat in het teken van de Veteranennota 2009–2010. Deze nota bevat een evaluatie van het beleid van de afgelopen vijf jaar en ook een beleidsvisie op de komende vijf jaar. We kijken dus een beetje vooruit en ook terug. De nota laat zien dat in de afgelopen vijf jaar veel is bereikt op het gebied van het veteranenbeleid. Sinds 2005 zijn duidelijk verbeteringen zichtbaar op het punt van de zorg, erkenning en waardering en ook op het punt van de registratie, maar ik wil graag nader ingaan op al die punten.

Mijn fractie heeft op basis van deze nota en de bij ons bekende problematiek een aantal zeer specifieke vragen, die ik per thema zal langslopen. Ik begin met de definitiekwestie, waarover wij vaker hebben gesproken. Wat is nu eigenlijk «een veteraan», wie is nu eigenlijk veteraan? Het is helder dat de VVD altijd heeft gepleit voor een definitie waarin ook actief dienenden worden meegenomen onder het begrip «veteranen». De VVD is dan ook verheugd dat de minister de mede door ons ondertekende motie-Pechtold over de verbreding van de definitie nu integraal heeft opgenomen in de nota. Ook actief dienende militairen zijn namelijk veteranen. Compliment voor de snelle uitvoering van deze motie. Dit was lange tijd een heikel punt, maar dit is snel gedaan.

Dan de brede zorgplicht. De militair heeft een bijzondere positie in onze samenleving. Hij of zij wordt namens ons allen en ook met die opdracht in vaak zeer onveilige situaties en oorlogssituaties gebracht. Dat maakt hem anders en dat maakt ook de situatie van de militair anders dan die van andere geüniformeerde personeelsleden die namens de overheid proberen in te grijpen. Een agent of een brandweerman kan uiteindelijk altijd zijn eigen veiligheid vooropstellen. Dat wordt van een agent of een brandweerman ook verwacht en die opdracht wordt meegegeven, maar een militair die in operationele omstandigheden verkeert, wordt actief in zeer onveilige situaties gebracht en moet dat wellicht met het allerhoogste offer bekopen. Helaas hebben wij dat de afgelopen drie à vier jaar te vaak moeten meemaken. De militairen die door de Kamer naar een missiegebied worden gestuurd, hebben dan ook recht op goede zorg. De overheid heeft ten opzichte van deze militairen een brede zorgplicht die verder gaat dan alleen de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie. Op pagina 33 van de nota is sprake van «een afgebakende verantwoordelijkheid die ligt in het verlengde van de ministers van VWS en Sociale Zaken». Ik wil graag weten wat de minister daar precies mee bedoelt. Bedoelt hij dat met «een brede zorgplicht»? Of bedoelt hij er iets anders mee? Dat is ook van belang bij de beoordeling van het initiatiefwetsvoorstel, waarin sprake is van «een bijzondere zorgplicht». Woorden tellen hier. Wij willen in ieder geval niet een «risque professionel». Dat kent de Nederlandse wetgeving niet en dat moet de Nederlandse wetgeving ook niet kennen.

Ons bereiken geluiden dat de voorbereidingen voor ad-hocuitzendingen voor kleine missies slechter worden georganiseerd dan die voor een gemiddelde TFU. De nota is nogal summier over de voorbereidingen van missies en gaat daar alleen in zeer algemene termen op in. Een veel voorkomende klacht – dat klinkt misschien gek – is het gebrek aan een gijzeltraining. We hebben voorbeelden gehoord van kleine hoeveelheden manschappen die bijvoorbeeld naar Gaza of zelfs naar Libanon werden gestuurd of van iemand die geld moest uitbetalen in Congo. Daar zat weinig of geen voorbereiding bij. Het is essentieel dat ook in de sfeer van preventie alle uitgezonden militairen buitengewoon goed worden voorbereid om voorkombare problemen na afloop te voorkomen. Daarop krijg ik graag een reactie van de minister. Deelt en kent hij dit beeld en wordt daar iets aan gedaan? Een goede voorbereiding is preventief voor klachten na afloop van de missie.

Problemen na of tijdens de uitzending kunnen worden voorkomen door zorgvuldige screening bij werving en selectie. Ik kan mij voorstellen dat door het grote aantal vacatures de mazen aan de poort intussen misschien wat groter zijn dan wenselijk. Heeft de minister daar zicht op en kan hij daar iets over zeggen? Wij hebben daar op dit moment geen cijfermateriaal over. Er is natuurlijk een duidelijke personeelsbehoefte bij Defensie. Die lopen we op dit moment een beetje in, maar wordt er buitengewoon kritisch gescreend en gekeken of men inderdaad in staat is om de gevolgen van een missie te dragen?

Dan arbeidsongeschiktheid na uitzending en re-integratie. De stelregel binnen en buiten de krijgsmacht is dat, indien de invaliditeit minder is dan 35%, de werkgever zoekt naar een andere functie. Toch bereiken ons geluiden, met name van de bonden, dat deze vuistregel niet in alle gevallen wordt gehandhaafd. Er is nog steeds een berg vacatures. Het lijkt mijn fractie dus logisch dat Defensie voor deze gevallen een functie zoekt binnen de krijgsmacht. Een soldaat met een prothese kan prima in een magazijn werken. Over de afgelopen vier jaar gaat het om 140 gevallen met invaliditeit van 35% of minder. Ik wil graag weten in hoeveel van die gevallen geen functie wordt gevonden binnen Defensie en wat er in zo'n geval gebeurt. In de overzichttabellen van de nota wordt niet ingegaan op gehele en gedeeltelijke invaliditeit na uitzending. Graag wil ik van de minister weten of wij dit aspect vanaf volgend jaar wel in de nota kunnen meekrijgen.

Met betrekking tot het verwerkingsproces na een uitzending wil ik vandaag stilstaan bij de nazorg direct na terugkeer uit het missiegebied. Er zullen dit jaar weer ontzettend veel militairen terugkeren uit Uruzgan. Zij krijgen rustdagen op Kreta. Ik zou het interessant vinden om eens te kijken naar een aantal collega-landen, bijvoorbeeld Zweden en Canada, waar militairen juist eerst weer aan het werk worden gezet en dus eerst weer in de werkomgeving worden geplaatst. Dat schijnt betere effecten te hebben en er wordt dan in een eerder stadium opgemerkt of er verschillen zijn met de persoon van voor de uitzending. Is dit de minister bekend? Is het misschien goed om daar eens naar te kijken en om daarvan te leren? Toen onze Indiëgangers destijds terugkwamen, zaten ze zes maanden bij elkaar op een boot. Ik heb wel eens gehoord dat dit ook een goede manier was om de zaak te verwerken. Mijn fractie wil dus graag van de minister weten hoe andere landen hiermee omgaan en wat wij daar eventueel van kunnen leren.

Uit de nota blijkt dat het aantal gevallen van psychisch letsel dat aan uitzending gerelateerd is, toeneemt. Gelet op de toename van het expeditionair militair optreden in extreme omstandigheden, is het op zich verklaarbaar dat de vraag naar psychische zorg relatief toeneemt. Eerder dit jaar concludeerden wij al dat het aantal gevallen mogelijk rond 10% ligt. Wat de VVD betreft, is dit het grote probleem voor de veteranenzorg: hoe moet er zorgvuldig worden omgegaan met PTSS-klachten na de uitzending? Wij willen daarom van de minister weten wat er concreet in het voorstel voor de kaderwet staat. Het liefst hebben wij dat wetsvoorstel zo snel mogelijk, maar dat schijnt nog even te hangen bij de Raad van State. Dat is op zich al een omineus voorteken, maar hoe staat dit in dat wetsvoorstel en hoe gaat de minister dit aanpakken? Analyses en discussies over aantallen hebben wij in de Kamer intussen immers al genoeg gehad. Juist PTSS-problemen zouden adequaat moeten worden aangepakt in een nieuwe wet, de kaderwet dan wel de initiatiefwet.

Veteranen verdienen het respect van de gehele Nederlandse samenleving. Dat zeggen wij hier altijd en dat wordt volgens mij ook door iedereen ten diepste zo gevoeld. Erkenning en waardering kun je echter lastig in wetgeving vastleggen. Zij moeten uiteindelijk uit het hart van de samenleving komen. De overheid kan daarbij wel faciliteren en kan dit bevorderen. De Veteranendag van aanstaande zaterdag, waarbij de meesten van ons zullen verschijnen, is daarvan een heel goed voorbeeld. Dat geldt ook voor de defilés die in verschillende gemeenten worden gehouden. Onze opvatting over Wageningen is bekend en zal ik niet herhalen, maar voor de Veteranendag geldt in ieder geval dat daar veel ruimte voor wordt gegeven. Dat is goed. Ik heb eerder deze week mijn eigen fractie alvast een witte anjer gegeven. Wat ons betreft volgt de overheid dit voorbeeld en gaan liefst ook rijksambtenaren, als zij dit willen, een witte anjer dragen. Ik ben tegen een verplichting, maar het zou mooi zijn om in lijn van wat er in Groot-Brittannië gebeurt met poppies, het particuliere initiatief van de Stichting Anjerveteranendag te steunen. Misschien zou de minister zelf het goede voorbeeld kunnen geven. Ik weet niet wat hij hiervan denkt. De VVD-fractie zal aanstaande zaterdag in ieder geval de witte anjer dragen. Is de minister bereid om zich hiervoor in te zetten?

Dan de registratie van veteranen. In het specifieke geval van veteranen vindt de VVD dat registratie inderdaad de verantwoordelijkheid van de minister is. Gelet op de omvang van de problemen die later zouden kunnen ontstaan, ligt het voor de hand om de minister te vragen om met de gegevens die Defensie ter beschikking heeft, het veteranenregistratiesysteem direct goed in werking te zetten. Op dit moment zijn helaas nog lang niet alle veteranen in het VRS geregistreerd. Kunnen de gegevens uit het personeelsbestand niet gewoon worden gekoppeld? De ervaring leert dat veel veteranen niet uit zichzelf het formulier invullen dat zij meekrijgen na een missie. Er zou misschien iets proactiever geopereerd kunnen worden.

Ik vroeg al wanneer het voorstel voor de kaderwet naar de Kamer komt. De minister verwacht dat dit nog voor het zomerreces gebeurt. Dan krijgen wij volgende week nog een drukke week, maar ik vermoed dat daar iets meer vertraging in zit. Ik hoor graag van de minister hoe dit zit en ik hoor graag een inschatting van het moment waarop het wetsvoorstel naar de Kamer zal worden gezonden. Dat zeg ik met name in het licht van het initiatiefwetsvoorstel dat ons intussen heeft bereikt. Mevrouw Eijsink en haar medestanders hebben daar hard aan gewerkt. Het is een dik pak geworden en ik wil daar, als dat kan, graag snel over spreken. Wij zijn voor een veteranenwet. Wij vinden dat er een verstandige veteranenwet moet komen. Wij vinden het jammer dat een initiatiefwetsvoorstel vanuit de Kamer noodzakelijk was. Wij houden niet zo van het systeem van kaderwetgeving. Wij vragen ons nog steeds af of de wijsheid niet gewoon kan prevaleren, maar misschien zijn wij roependen in de woestijn. Die wijsheid heeft bijvoorbeeld ook bij de collega's van de minister geprevaleerd toen de Kamer met een initiatiefvoorstel voor een evenementenwet kwam, beter bekend als «de voetbalwet». De regering besloot toen uiteindelijk om dat initiatiefvoorstel gewoon te omarmen, over te nemen en op een verstandige manier in te vullen.

Tot slot een opmerking over de letselschadeclaims. In 2009 ging het om 847 gevallen, zoals de heer Hernandez al aangaf. Voor het aantal uitzendinggerelateerde claims is dat hoog. Libanon en Joegoslavië staan bovenaan die lijst. Het aantal claims naar aanleiding van de inzet in Afghanistan is nu nog laag, maar wij kunnen op onze vingers natellen dat dit fors zal oplopen. De minister stuurde op 18 juni een brief naar de Kamer over de voortgang van de bemiddeling door de Nationale ombudsman met betrekking tot de schadeloosstelling, maar het valt ons op dat er nog steeds geen overeenstemming is bereikt over de gevallen van voor 1 juli 2007. Kan de minister ons meer inzicht geven in dit proces? Waar staan wij nu? Ik vond de brief nogal mager. Mijn fractie wil eigenlijk gewoon graag weten hoe dicht de minister bij overeenstemming is. Het is iets te gemakkelijk om de financiële gevolgen daarvan door te schuiven naar een volgend kabinet, zoals de minister het liefst zou doen.

Het volledige verslag is hier te downloaden.

 
Alle artikelen
  • Defensie
  • Buitenlandse Zaken
  • Oost-Nederland
  • Algemeen
  • debatten
  • moties
  • vragen